100

 SUMAR – Fanfare De Lofstem uit Sumar bestaat dit jaar, in november om precies te zijn, 100 jaar. Vrijdagavond werd het jubileumfeest geopend met, wat dacht u anders, een jubileumconcert. En uiteraard liet De Lofstem daar van zich horen, maar er waren ook gasten uitgenodigd en die, Gurbe Douwstra en de band Alice Springs, maakten er een spetterend geheel van. Vooral in het slotlied, ‘Friezen, Friezen lit jim gean’, waarin Gurbe Douwstra, Alice Springs en de Lofstem samen optraden, ging ‘het dak eraf’.

feest in de Boumaloods
Die Bouma loods, eigenlijk een vrij anoniem gebouw op het industrieterrein in Sumar, heeft zo langzamerhand de status van de Heineken Music Hall, dan wel de Ziggo Dome. Op dorp-niveau wel te verstaan, en dat heeft alles te maken met het feit dat onder andere de plaatselijke Fanfare De Lofstem hier al sinds jaar en dag haar concerten houdt. En zeker de jubileum-uitgaven van die concerten zijn qua ambiance en organisatie veelal om ‘door een ringetje te halen’. En het jubileumconcert van de vrijdagavond in juni 2019 maakte daarop geen uitzondering. Het was, met andere woorden, een concert een jubileum waardig, een 100-jarig jubileum nog wel. En dat was een gelegenheid die De Lofstem niet ongemerkt voorbij wilde laten gaan. Natuurlijk niet, want het aantal clubs of verenigingen dat een eeuw lang bestaan heeft, is tamelijk schaars. En als je dan na die honderd jaar ook nog kunt constateren dat jouw vereniging nog altijd ‘alive and kicking’ is, kun je niet alleen tevreden en met plezier terugkijken, maar ook met vertrouwen de toekomst tegemoet zien. Alleen al het feit dat de Bouma loods bommetje vol was, was een teken dat De Lofstem leeft in Sumar, dat de fanfare een rol speelt in zowel het maatschappelijke als het culturele leven in het dorp. En dat alles had de leiding, in casu de speciale jubileumcommissie, geïnspireerd om van dit jubileumconcert iets bijzonders te maken. En dat wérd het, het concert, eigenlijk was het gezien de variatie in de programmering, meer een optreden, een muzikale show, een muzikaal feestje, waarvan niet alleen het publiek met volle teugen genoot, maar zeker ook de muzikanten. Van hen spatte het enthousiasme af, het spetterde en knetterde af en toe in de feestelijk versierde loods en na afloop ging ‘it neipraat’ nu eens niet over het weer, over voetbal of het pensioenaccoord, maar over de muziek, over de muzikale hoogstandjes die De Lofstem samen met de special guests Gurbe Douwstra en de band Alice Springs ten beste gaven. Zij drieën kregen de zaal helemaal mee en bijna ging ‘het dak eraf’, letterlijk zowel als figuurlijk. 

bijzonder
Uiteraard was het feit dat De Lofstem al een eeuw lang een muzikale rol speelt in het dorpsleven in Sumar een aanleiding op zich om er een echt feest van te maken, maar er was nog een reden voor een daverend feest. En dat was het gegeven dat de kerk in Sumar dit jaar 250 jaar oud wordt. En net als de Lofstem vervult ook die kerk na al die jaren nog steeds een rol in het maatschappelijk en uiteraard het kerkelijk leven in Sumar. Wat dat betreft  was het niet verwonderlijk dat beide feesten op twee achtereenvolgende dagen werden gehouden. Vrijdagavond begon het allemaal met het jubileumconcert van De Lofstem. Ik ben voor u gaan kijken én luisteren uiteraard. Ik ben een muziekliefhebber, bij mij thuis klinkt de hele dag muziek en ook als ik aan het ‘werk’ ben, heb ik altijd muziek aan. Meer een liefhebber dan een kenner, dus u moet van mij geen kwalitatieve beschouwingen verwachten, die laat ik over aan de deskundigen, die dingen horen die mij volledig ontgaan. Bij mij is het kwestie van mooi of niet mooi. Ik heb bewondering voor de generaties mensen die De Lofstem hebben opgericht en overeind hebben gehouden, bewondering en waardering heb ik ook voor de mensen die er keer op keer in slagen van jubilea en andere feestelijke gebeurtenissen een feest te maken en dus hoef ik niet lang na te denken als ik uitgenodigd word om te komen kijken. Met natuurlijk wel in het achterhoofd dat ze mij met name inviteren omdat ze verwachten dat ik een verslag schrijf en dat verhaal lardeer met een ‘stikmennich’ foto’s. En daarom meld ik mij op deze vrijdagavond bij de Bouma Loods. Ik mag mijn auto op een speciaal plekje parkeren en ik word uiteraard ontvangen met koffie en de vraag waar ik wil zitten. Ik zoek een plek schuin voor het podium, naast de rijen stoeltjes die nu nog leeg zijn. ‘Ik kin útsykje’ en ik heb zodoende genoeg bewegingsvrijheid zonder in de weg te zitten of te lopen.

‘Einzug der gladiatoren’
Dan is het bijna acht uur en iedereen die er zijn moet ís er ook, de zaal is helemaal vol, naar opgave van de organisatie zitten er vierhonderd  bezoekers die het bekende en kenmerkende ‘publiek-geroezemoes produceren’, verwachtingsvol is het woord dat er bij hoort. Dat geluid verstomt als De Lofstem zijn entree maakt, nu nog in stemmige witte overhemden, maar dat zal niet lang duren, het orkest is helemaal in het nieuw gezet en dat blijkt even later ook stemmig, maar uiterst chique antraciet-zwart te zijn, met korenblauwe accenten. Voor de foto’s had het van mij wat kleurrijker mogen zijn, maar dit is nu eenmaal geen modeshow met een catwalk. Maaike Kingma, voorzitter annex regelneef van het geheel, opent de avond met een korte speech waarin ze uiteraard heel even ingaat op het lange verleden van de fanfare. De volgende die het woord voert is spreekstalmeester van de avond Gerard van der Veer, hij is een professional en dat betekent dat alles lekker up tempo en vlotjes verloopt. Maar dan is het ‘woord’ aan de muzikanten van dirigent Jan Geert Nagel die de Bouma loods meteen vullen met spetterende blaasmuziek, variërend van stemmige tot uiterst vrolijke composities. Over composities gesproken: er is speciaal voor deze gelegenheid een muziekstuk geschreven door Jan de Haan, een autoriteit op dit gebied weet zelfs ik en hij overhandigt aan Trienke van der Veer als vertegenwoordiger van het korps de partituur. En natuurlijk wordt het publiek daarna vergast op de eerste officiële uitvoering van Centenary 2019 als ik het goed heb verstaan. Het klinkt prima, maar de technische en muzikale details ontgaan mij, daar voor heb ik niet genoeg ‘verstand’ van deze muziek, ik heb u dat al uitgelegd.

foto’s
Ik heb het ondertussen druk, druk met maken van foto’s en dat is, zoals ik al gevreesd had, een hele klus. Het orkest zit op een vlak podium, dus als ik een foto maak zie ik alleen de voorste rij. Om de rest er ook een beetje redelijk op te krijgen zou ik het podium op moeten en dat lijkt mij niet echt aan te bevelen. Dat zou te veel storen vrees ik. Ik zal het moeten doen met een paar close ups en uiteraard foto’s van het publiek. Na de pauze is dat beter, dan komen ook de special guests Gurbe Douwstra en de band Alice Springs in actie, Gurbe heeft dat voor de pauze ook al een keer gedaan. En dat kan hij goed, hij heeft een perfecte opbouw in zijn show, van stemmig en ontroerend naar lekker vlot-op-meezing-niveau. En die band is voor mij een openbaring, ik had er wel van gehoord, maar ik had geen idee wat voor muziek ze maken, die vijf enthousiaste jongens, nou jongens, jonge mannen. Ik zie een viool hangen tussen de gitaren en daar ben ik wel nieuwsgierig naar. 

geweldig
Maar Alice Springs speelt wat ik Ierse Folk zou noemen, tenminste daarvan zitten er elementen in en dat klinkt prachtig, meeslepend, opzwepend en je waant je binnen een paar minuten in een Ierse pub, met meezingend en -klappend publiek. En ook zij beginnen tamelijk rustig, maar naarmate de stemming stijgt, gaat het er steeds enthousiaster aan toe. En als aan het slot van de avond de ‘grande finale’ wordt gespeeld, Gurbe Douwstra’s hit ‘Friezen, Friezen lit jim gean’, is de zaal niet meer te houden en dan gaat, figuurlijk dan, het dak eraf. Een hoogtepunt, eigenlijk hét hoogtepunt van de avond die precies heeft gebracht wat zo’n feestelijk jubileumconcert moet zijn: een feest voor oog en oor, een honderdjarige fanfare waardig. De band speelt nog wel even door, maar ik ga naar huis en de eerste vraag van mijn vrouw laat zich raden: “En, hoe wie it?” Ik plof op de bank en kan eigenlijk maar één ding uitbrengen: “Geweldich.”     

Binne Kramer